Het derde rijk
Adembenemende roman over gewone levens in een onherroepelijk veranderende wereld
Een heldere nieuwe ster boven Noorwegen zaait onrust en angst. Terwijl kunstenaar Tove in een psychose belandt, onderzoekt Geir een sinistere moord. Maar het meest verbijsterende is de ontdekking van begrafenisondernemer Syvert: sinds de ster verscheen, is niemand meer gestorven.
‘Magistraal.’ The Guardian
‘Meeslepend... je kunt niet stoppen met lezen.’ The Atlantic
‘Zo beschouwend als een echte Knausgård, maar tegelijkertijd ook een pageturner.’ Kirkus Reviews
MinderDetails
501 p.
Besprekingen
De Volkskrant (2)
In zijn romancyclus Morgenster stelt de Noorse schrijver Karl-Ove Knausgård een mooie vraag over de dood. Wat gebeurt er als we opeens niet meer sterven?
In het onlangs verschenen derde deel, Het derde rijk, zien we gewone mensen met gewone levens. Gaute is leraar op een lagere school en verdenkt zijn vrouw van overspel. Helge is een succesvol architect maar creatief doodgelopen in een nieuw project. Line wordt verliefd op de mysterieuze Valdemar.
Zo gaat het door. Zeven, acht levens die elkaar hier en daar raken, losjes, zonder dat ze echt iets met elkaar te maken hebben.
Net zoals in de cyclus waarmee hij internationaal doorbrak, Mijn strijd, laat Knausgård het drama tevoorschijn komen in alledaagsheid. Mensen douchen, kleden zich aan of uit, eten, rijden van A naar B, hebben tandproblemen, ergeren zich aan een collega, dat soort dingen, op het saaie af, maar wonderlijk genoeg telt het op tot het herkenbare, even banale als meeslepende verdriet van een mensenleven.Maar dit keer gebeuren er onbegrijpelijke, verontrustende dingen, zij het op de achtergrond, als een grotesk, bijna ongepast decor. Vanuit het niets verschijnt een nieuwe, ongewoon heldere ster - de Morgenster. Na de eerste opwinding hernemen mensen hun leven. Het duurt een tijdje, maar pas dan dringt door dat er iets aan de hand is. Mensen die naar medische maatstaven dood zijn, vertonen opeens weer tekenen van leven. De mortuaria krijgen geen nieuwe overledenen meer.
Eerst één etmaal, dan twee, dan drie, dat zou nog een zeldzaam toeval kunnen zijn, maar het gaat door. Niemand sterft.
En daarmee, zou je denken, explodeert het verhaal. Maar nee, dat gebeurt niet - of in elk geval niet onmiddellijk, want ik weet niet wat Knausgård in de volgende delen gaat doen.
Hoe dan ook is het uitblijven van een reactie bijna schokkend. Waarom reageren de mensen die het eerst in de gaten hebben dat mensen niet meer sterven zo lauw? Waarom leveren de eerste krantenberichten geen massale paniek op?
Het antwoord dat Knausgård suggereert, is dat de dood zo'n centraal gegeven is in onze levens dat we een wereld waarin we niet meer sterven simpelweg niet kunnen bevatten. Het valt buiten ons voorstellingsvermogen.
Wat Knausgårds personages zien (mensen sterven niet meer) heeft geen relatie met wat ze weten (mensen zijn sterfelijk) en dus dringt het niet door. Niet echt.
Ik moest zo nu en dan denken aan de leden van een volk in Papoea-Nieuw-Guinea - zoals beschreven in een essay van Rudy Kousbroek, als ik me goed herinner - die voor het eerst een vliegtuig zien. Je zou verwachten dat ze op de grond vallen van schrik en verbazing, maar dat gebeurt niet.
Ze volgen de machine weliswaar met hun ogen maar reageren verder nauwelijks, omdat het vliegtuig te vreemd voor ze is - er is te weinig in hun voorstelling van de wereld waarbij dat ding in de lucht zou kunnen aansluiten en dus blijven ze er ziende blind voor.
Knausgård stelt wel vaker goede vragen over de dood. De cyclus Mijn strijd begint met een memorabele meditatie over sterven. 'Voor het hart is het leven simpel', zo luidt de eerste zin, 'het slaat zolang het kan.'
Op een dag stopt het en dan volgt een proces van ontbinding dat nauwelijks variatie kent, bijna een ritueel, het leven dat zich volgens de vastgestelde regels van een gentlemen's agreement overgeeft aan de dood.
Maar daarmee is het met de overzichtelijke wijsheid van het hart ook meteen gedaan, want los van het naakte feit van onze sterfelijkheid is niets aan de dood simpel.
Knausgård beschrijft hoe in onze westerse cultuur de dood overal is, in het nieuws, in boeken en films, terwijl tegelijk de dood zelf taboe is - die rauwe biologische dood van een hart dat stopt en een lichaam dat ontbindt. We verdragen het nauwelijks om een dood lichaam te zien. Een overleden patiënt wordt onmiddellijk bedekt en snel naar het mortuarium gebracht, steevast een raamloze ruimte in de kelder, alsof we een dood lichaam zo snel mogelijk in de laag willen hebben waar het uiteindelijk thuishoort - onder de grond.
Ziekenhuizen hebben vaak een aparte uitgang waar de overledenen worden opgehaald en in geblindeerde auto's naar het uitvaartcentrum gebracht, waar ze worden afgelegd - een curieus begrip voor de cosmetische ingreep die we nodig vinden voordat het lichaam kan worden getoond aan de naasten.
De vraag die Knausgård oproept is wat nou eigenlijk het verschil is tussen onze verbeelding van de dood en de rauwe werkelijkheid ervan, zodat we de eerste met gemak verdragen en zelfs nodig hebben, maar de tweede graag vermijden. Waarom betalen we geld om een actiefilm te zien waarin mensen bij bosjes sterven, maar zijn we diep geschokt als we toevallig getuige zijn van een ongeluk of hartaanval - zo geschokt zelfs dat de ervaring nogal eens paradoxaal wordt beschreven als 'onwerkelijk'?
Wat is het punt? Waarom is de verbeelde dood geen probleem en de echte wel?
Een antwoord op die vraag vond ik in een van de merkwaardigste boeken die ik de afgelopen tijd las, De ontkenning van de dood, van de Amerikaanse antropoloog Ernest Becker, een boek uit 1973 dat indertijd de Pulitzerprijs voor non-fictie won en nu net in de Paradigma-reeks van uitgeverij Athenaeum is verschenen.Ik noem het boek merkwaardig omdat Becker (1924-1974) put uit de psychoanalyse. De kern daarvan is verbluffend smal: de individuele psyche kan grotendeels worden uitgelegd als de verdringing van een aantal ervaringen in de vroege jeugd, die universeel zijn en vooral te maken hebben met de relatie met de ouders.
Dat is het. Niets over verschillen in opvoeding, de leefstijl van de moeder tijdens de zwangerschap, haar leeftijd, erfelijke variatie, het aantal broertjes en zusjes, status en welstand, cultuur of politieke verhoudingen. Al die dingen doen er weinig toe.
Becker claimt doodleuk dat de 'freudiaanse psychologie een universele grondhouding bij de mens [heeft] ontdekt en daarmee de sleutel [heeft] gevonden tot een universele historische psychologie'. Dat u het maar weet.
Maar goed, zo hier en daar is Becker heel erg raak. Bovendien geeft hij dus een verleidelijk antwoord op de vraag die Knausgård stelt. Waarom hebben we geen moeite met de verbeelde dood, maar verkrampen we bij de rauwe werkelijkheid ervan?
Becker begint bij de 'existentiële paradox'. We zijn een lichaam, een samenraapsel van op zichzelf waardeloos spul, nauwelijks een euro waard, een tijdje levend, totdat het er de brui aan geeft - een hart dat klopt totdat het niet meer klopt.
Die simpele, aardse waarheid verhoudt zich slecht tot de grootse verbeelding waartoe de geest in staat is, niet in de laatste plaats tot de verbeelding van wie we zijn: ons 'ik'.
Dat 'ik', zegt Becker, is het centrum van de wereld, 'hopeloos verdiept in zichzelf', gedreven door de brandende ambitie om zich te onderscheiden - om een 'held' te zijn. Het ligt voor de hand dat zo'n 'ik', dromend van heldendom, niets wil weten van dat aardse, stervende lichaam. Zijn de grote helden niet al millennia lang halfgoden of mensen die aan de dood weten te ontkomen?
Het resultaat van de 'existentiële paradox' is dat we onze sterfelijkheid verdringen, al heel vroeg, in de kinderjaren, en de resulterende persoonlijkheid laat zich het beste begrijpen als een façade, waarvan de schone schijn alleen in onze dromen nog schemert. 'Opgroeien is eigenlijk niet meer dan het verbergen van het innerlijke littekenweefsel dat in onze dromen klopt en bonst.'
Wat voor het individu geldt, claimt Becker, geldt voor onze hele cultuur. Zijn stelling is dat in onze cultuur bijna alles 'dient (...) om aan de dood te ontkomen, om de doodsangst te overwinnen door op een of andere manier te ontkennen dat de dood de eindbestemming is'.Als Becker gelijk heeft, is het niet alleen logisch dat we de rauwe dood koste wat kost vermijden, maar kunnen we de verbeelde dood die Knausgård overal ziet - in literatuur, films en series - begrijpen als een vorm van distantiëring. De verbeelding zet de dood zelf op afstand, iets waar we naar kijken, maar dat ons niet echt raakt - ongeveer zoals nieuwsberichten over verre rampen ons niet echt raken.
Zo wordt die rauwe, biologische dood inderdaad 'onwerkelijk'. In de terminologie van Becker kan het van heldendom dromende 'ik' de eigen sterfelijkheid blijven ontkennen.
Wat de werkelijke waarde van Beckers uitleg is - dat mag een bevoegde psycholoog of neuroloog zeggen. Dat hij mij weet te verleiden, komt vooral doordat hij zo aanstekelijk schrijft. Doorgaans is hij licht, opgewekt en vaak erg treffend. Neem tot slot deze observatie. De mens is 'met stomheid geslagen bij de absurditeit van de schepping'. Aan de ene kant is er 'het absolute wonder van het menselijk gezicht, [van] ogen zo mysterieus dat zelfs een droogkloot als Darwin er kippenvel van kreeg - en al dat moois geef je dan een anus om mee te schijten. Onverdraaglijk. De natuur lacht ons uit en de dichter weet zich geen raad.'
NON-FICTIE
Ernest Becker
De ontkenning van de dood
Uit het Engels vertaald door Arian Verheij.
Athenaeum; 352 pagina's; € 27,50.
--
FICTIE
Karl Ove Knausgård
Het derde rijk
Uit het Noors vertaald door Maaike van Rijn.
De Geus; 501 pagina's, € 34,99.
Stel je voor: je bent getrouwd en je verdenkt je partner van overspel. Dan dreigt de tunnelvisie. Alles wat de kant van overspel op wijst, zul je in dat licht interpreteren.
Komt er een appje op een laat tijdstip binnen? Vast van de minnaar! Moet je partner alweer overwerken? Ongetwijfeld een stiekeme afspraak! Is je partner vergeetachtig? Zeker te druk met de geheime affaire!
In Het derde rijk van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård kruipen we in het brein van Gaute, een leraar op een middelbare school. Hij is gelukkig getrouwd met de predikante Kathrine, met wie hij twee kinderen heeft. Misschien is hun huwelijk wat ingeslapen, maar het is stabiel. En dan slaat ineens de argwaan toe, wanneer Kathrine op een dag haar vliegtuig mist en ongeloofwaardige excuses appt. In een mum van tijd is de situatie in het hoofd van Gaute opgeschaald naar een regelrechte huwelijkscrisis die bijna niet te redden is.
Maar het zit anders. Kathrine heeft ontdekt dat ze zwanger is en is door twijfels bevangen. Als predikante worstelt ze bovendien met geloofsvragen. Ze trekt zich tijdelijk terug uit het gezinsleven om haar situatie te overdenken. Dit klinkt als een overzichtelijk verhaal, maar zo eenvoudig is het niet. Kathrines gedachtengang was namelijk te vinden in het eerste deel van de Morgenster-reeks. Wie dat gelezen heeft, begrijpt: dit is hetzelfde verhaal, maar bezien vanuit het perspectief van de ander.
Het derde rijk is het derde deel van een monumentale serie waarvan Knausgård de architect is. De delen laten zich ook afzonderlijk en in willekeurige volgorde lezen. Wie het geheel tot zich neemt, ziet de grotere verbanden en kan alleen maar bewondering hebben voor de wijze waarop Knausgård zijn kathedraal heeft opgebouwd.
In Het derde rijk toont Knausgård zich opnieuw een briljant verteller, die met een paar zinnen psychologische diepgang kan bewerkstelligen. Gelukkig heeft hij, anders dan in de vorige twee delen, de neiging weten te bedwingen om door personages geschreven essays en verhandelingen op te nemen. Zijn personages zijn levensecht en geloofwaardig, of ze nu aan een depressie lijden, op de verkeerde mannen vallen of beroemd architect zijn.
In de Morgenster-reeks laat hij bovendien zien wat de meerwaarde van literatuur is: die kan tonen hoe verschillend mensen de wereld om zich heen ervaren. Ofwel: alles is een kwestie van perspectief.
Dat komt het best tot uiting in de passages over Line. De jonge studente wordt verliefd op de ruige Valdemar, die bandleider is van de heavymetalband Domen (wat 'het oordeel' betekent). De bandleden flirten met het nazisme en houden er satanistische praktijken op na. Valdemar meent dat ze op de drempel van het derde rijk staan, maar dan in de middeleeuwse betekenis: het eerste rijk is de tijd van God, het tweede rijk de tijd van Jezus en het derde rijk de tijd van de Heilige Geest.
Over Hitler heeft hij ook een uitgesproken opvatting: de nazileider was ook maar een mens.
De relatie tussen Valdemar en Line ontspoort in gewelddadige seks tijdens een van de concerten in het donkere woud. Nog erger: Line blijkt zwanger en zoekt in paniek het thuisfront op. Met haar moeder, de verpleegkundige Solveig, had de lezer al uitgebreid kennisgemaakt in het eerste deel van de Morgenster-reeks. Net als de predikante Kathrine staat Line voor een moeilijke keuze: zal ze het kind houden of niet?
Twee parallelle levens, verteld vanuit verschillende perspectieven. Zo zijn er nog veel meer verbanden tussen de eerder verschenen delen en Het derde rijk te leggen. Teveel om op te noemen en dat is ook de kritiek die je zou kunnen hebben: Knausgård volgt zoveel verhaallijnen dat het de lezer soms duizelt.
Twee motieven zorgen voor samenhang: de morgenster en de religie. Aan de hemel is een nieuwe ster verrezen. Het is bovendien ontstellend heet voor de tijd van het jaar. En er is al dagen niemand meer doodgegaan. Wat heeft dit te betekenen? De personages reiken verschillende verklaringen aan, variërend van wetenschappelijk tot religieus. Is die ster een teken van God? Of hebben we te maken met klimaatverandering en zo ja, is de hitte een voorbode van het einde der tijden? Staan we op de drempel van een nieuw (derde) rijk?
Een tweede motief vormt het christelijke geloof, of beter gezegd: geloofstwijfel. Dit deel draagt als motto: 'Er is geen God waar ik ben.' Dat is enerzijds een verwijzing naar de satanistische rituelen van de heavymetalband in het donkere woud. De bandleden dragen dierenkoppen en herhalen in koor de woorden van hun leider: 'De mens is God' en 'Wij zijn Goden.'
Anderzijds weerklinkt het motto in de geloofscrisis die Kathrine ervaart. Ze beseft plotseling dat ze niet in God gelooft. De dag erna slaat de twijfel echter toe en schrijft ze een zinderende preek waarin ze twijfel tot de kern van het christelijke geloof verklaart. Wie gelooft, ervaart twijfel; dat maakt juist de kracht ervan uit.
Het is, zo lijkt Knausgård, te suggereren, allemaal een kwestie van perspectief.
Trouw
In het net verschenen derde deel van Knausgards nieuwe cyclus De morgenster zijn de personages ontregeld, en is de natuur verstoord. Aan het firmament is een mysterieuze, onheilspellende ster verschenen en buiten is het bloedheet. Bijkomend enigma: al dagenlang is er niemand meer gestorven. Een buitengewone, zelfs beangstigende vaststelling.
Dat laatste komt niet uit de lucht vallen. In De wolven van de eeuwigheid, het tweede deel, ging de schrijver al uitgebreid in op het mysterie van de dood en de hoop op eeuwig leven. Hij nam daarin ook een lange verhandeling op over de negentiende-eeuwse Russische schrijver Fjodorov, die geloofde dat de mensheid er ooit in zou slagen om alle doden tot leven te wekken.
In Het derde rijk, waarin dagenlang niemand sterft, lijkt de verhoopte onsterfelijkheid werkelijkheid te worden. Tot grote verbijstering van de lezer, die niet weet wat hij met zoveel extravagantie aan moet. Maar zoals Knausgard in interviews vaak beweert: hoewel zijn romancyclus Mijn strijd hyperrealistisch was, houdt hij eigenlijk meer van magisch-realistische romans.
Dat verklaart deels de zonderlinge inhoud van deze roman. Daar komt nog Knausgards fascinatie voor filosofische vragen bij. In zijn cyclus Morgenster wil hij het kennelijk hebben over de onverklaarbaarheid van de dood en het onbegrijpelijke van het leven op aarde, dat bij vlagen haast griezelige vormen aanneemt. Want net als de vorige delen voelt ook dit derde deel bijzonder unheimlich aan: 'Midden op de rijbaan stond een hert. In het licht van de koplampen staarde het ons onbeweeglijk aan.'
Tegelijk blijft Knausgard zich gedetailleerd verdiepen in de gewone levens van gewone mensen. Een aantal personages uit Het derde rijk kennen we al uit eerdere delen, zij het dat Knausgard andere figuren uit hun entourage naar voren haalt. Zo leerden we in het eerste deel dominee Kathrine kennen als een vrouw die haar gezinsleven moe was. Nu focust Knausgard op haar echtgenoot Gaute, die ervan overtuigd is dat zijn vrouw hem bedriegt.
Ook literatuurprofessor Arne en zijn vrouw Tove kennen we al uit het eerste deel. Nu horen we over hun vakantie vanuit het gezichtspunt van Tove, die lijdt aan psychoses. Zij is overigens uitstekend gecast om de algehele ontregeling van de roman tot uiting te brengen, onder meer met haar haast agressieve schilderijen van Jezus en Maria.
De titel van Knausgards nieuwe roman klinkt uitdagend, net als zijn vorige reeks, die in het Noors Min Kamp heette. Dat hij deze roman Het derde rijk noemt, roept opnieuw associaties met het nazisme op. Maar in de roman corrigeert hij dat beeld: 'Het gaat om iets wat ze in de middeleeuwen hadden geloofd, dat het eerste rijk de tijd van God was, het tweede rijk de tijd van Jezus en het derde rijk de tijd van de heilige geest'.
Hoewel het nog steeds onduidelijk is waar Knausgard met zijn Morgenster-cyclus heen wil, lijkt deel drie weer nieuwe elementen aan de dystopie toe te voegen. Er heeft een drievoudige moord op leden van een heavymetalband plaatsgevonden, een moord die zo onbegrijpelijk is dat de vraag rijst of hij wel door mensen is gepleegd.
De politieagent die de zaak onderzoekt, komt maar niet bij van de camerabeelden rond de plaats delict: 'Iets bewoog daar in het bos, iets duisters. Als een schaduw zonder lichaam.'
Knausgard sleurt de lezer steeds dieper mee in totaal onverklaarbare gebeurtenissen. En de lezer, hoe rationeel ook, laat zich betoveren.